



Ravage door
de oorlog.

Met Amerikaanse Marshall-hulp werden onder meer
locomotieven aangeschaft.



Na de oorlog
ontstond een frequente en gecadanceerde treindienst met
elektrische treinstellen (Carles Burki, collectie
Nederlands Spoorwegmuseum)
|

Periode 1940 - 1960

In de vroege ochtend van 10 mei 1940 viel het Duitse
leger Nederland binnen. Vier dagen later, na het
bombardement van Rotterdam, capituleerde Nederland. Dit
was het begin van een vijfjarige bezetting.
Spoorwegen waren van strategisch militair belang, zij
werden gebruikt voor vervoer van troepen en militair
materieel. Daarmee waren de spoorwegen natuurlijk doelwit
van oorlogshandelingen. Gevolg was dat de spoorwegen bij
de bevrijding op 5 mei 1945 nagenoeg geheel verwoest
waren. 62% van de baanvakken was onbruikbaar, het
grootste deel van het materieel was verdwenen, 220
bruggen waren opgeblazen...
De periode direct na de bevrijding werd gekenmerkt door
improvisatie. Er werd een dienst gereden met dat wat nog
bruikbaar was. Het eigen materieel moest uit heel Europa
worden teruggehaald. Er kon materieel worden overgenomen
van de Deense, Zweedse en Zwitserse spoorwegen alsmede
van de geallieerde legers. Verder kon NS beschikken over
Duits materieel dat in Nederland was achtergebleven. De
spoorwegdiensten werden aangevuld met diensten over de
weg, eerst met legertrucks, later met bussen. Met name de
vele opgeblazen bruggen vormden lange tijd een probleem.
In 1948 kon het spoorwegnet weer min of meer normaal
functioneren.
Na het eerste herstel ontstond ruimte na te denken over
de verdere toekomst. Hoe betreurenswaardig de grote
verwoesting ook was, deze bood tevens de kans voor een
grootscheepse vernieuwing. In 1947 trad ir. F.Q. den
Hollander aan als president directeur van NS en die nam
de opbouw naar een modern spoorwegbedrijf krachtig ter
hand. De keuzen die toen gemaakt zijn drukken nog steeds
een belangrijk stempel op de spoorwegen in Nederland.
Het herstel werd aanzienlijk vergemakkelijkt door de
Amerikaanse Marshall-hulp. Hiermee werden op Amerikaanse
leest geschoeide maar in Nederland gebouwde locomotieven
aangeschaft. Ook is sterke Amerikaanse invloed te zien
bij de vernieuwing van het seinwezen.
De essentie van het systeem dat Den Hollander opbouwde
was een frequente en gecadanceerde treindienst met
elektrische treinstellen, zoals die ook voor de oorlog al
op enkele baanvakken bekend was. Het ging om een
basisdienst voor het hele land. Snelheidsverhoging op
enkele corridors waar wel sprake van was geweest vond Den
Hollander niet nodig, 130 km/h was snel genoeg. Om dit
mogelijk te maken werd een grootscheepse
(her)elektrificatie van het net uitgevoerd.
Lees verder: periode 1960-1980
|
|